Hebt
gij Mij waarlijk lief?
Door Peter
Slagter
Het Johannes-evangelie eindigt zo'n beetje met de woorden, die de Here
Jezus spreekt tot Petrus. Hij zou de sleutels van het Koninkrijk der hemelen
ontvangen (zie Matt.16) en als er een ommekeer in zijn leven zou plaatsvinden,
zou hij zijn broeders versterken. Kortom, hij zou een door de Heer gegeven taak
gaan vervullen. Alleen, om deze taak te kunnen vervullen was het nodig, dat
Petrus vervuld zou worden met de heilige Geest! Hij moest, evenals de anderen,
kracht ontvangen om te getuigen en zijn dienst te vervullen onder (de gelovigen
uit) Israël.
Johannes
21:15-17
"Toen zij dan de maaltijd
gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Johannes, hebt
gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet, dat
ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.
Hij zeide ten tweeden male weder tot hem:
Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief? En hij zeide tot Hem: Ja
Here, Gij weet het, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn
schapen.
Hij zeide ten derden male
tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, dat
Hij voor de derde maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem:
Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn
schapen."
Liefde
In Johannes 21:15 e.v. wijst de Heer
op de liefde die nodig is om vruchtbaar te kunnen zijn in de dienst aan God. De
Bijbel zegt: "God is
liefde"; en Zijn liefde
wil Hij uitwerken in de harten van gelovigen. Daarvoor gaf Hij Zijn Geest. Gods
liefde is in onze harten uitgestort (vgl. Rom. 5:5) als bron van leven, kracht
en dienst.
De Here Jezus vraagt aan Petrus:
"...hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan
dezen?" Ongetwijfeld refereert de Heiland aan de uitspraken van Petrus
zelf.
Mattheüs 26:
30-35
"En na de lofzang gezongen te hebben
vertrokken zij naar de Olijfberg. Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan
Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder
slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt,
zal Ik u voorgaan naar Galilea. Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al zouden
allen aanstoot aan U nemen, ik nooit! Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u,
in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. Petrus
zeide tot Hem: Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet
verloochenen. Zo spraken ook al de discipelen."
De Heer voorzegt, dat zij allen (de discipelen) aanstoot aan Hem
zouden nemen. Daarmee zouden de (profetische) woorden van Zacharia 13:7 in
vervulling gaan: "Zwaard, waak op tegen
Mijn herder, tegen de man die Mijn metgezel is, luidt het Woord van de HERE der
heerscharen; sla die herder, zodat de schapen verstrooid worden; en Ik zal mijn
hand keren tegen de kleinen." Het laatste gedeelte van dit vers
wordt in de Statenvertaling anders weergegeven:” ...maar Ik zal Mijn hand
tot de kleinen wenden." Dat klinkt positiever.
De uitdrukking: 'de
hand keren/ wenden tot een persoon' wordt gewoonlijk in verbinding gebracht met
oordeel. Zoals bijvoorbeeld in Amos 1, vers 8: "...en Ik zal Mijn hand
keren tegen Ekron", of Psalm 81, vers
14-15: "Welhaast zou Ik hun vijanden vernederen, en Mijn hand tegen hun
tegenstanders keren." Toch ben ik het eens met Keil, Hitzig, Dr. Wright, en
anderen, dat de uitdrukking hier gebruikt wordt in een positieve betekenis,
namelijk, dat God Zijn hand zal wenden tot de kleinen om hen heil te schenken,
hoewel dat heil wellicht gebracht wordt door middel van tuchtiging. In die zin
komt het voor in Jesaja 1, vers 25: "Ik zal Mijn hand tegen
u keren (beter: tot u wenden - pas) en Ik zal uw slakken als met loog
uitzuiveren en al uw looddelen verwijderen...".
Zo wordt het ook
hier in Zacharia 13 gebruikt, net zoals in vers 8 en 9 wordt vermeld, dat er
oordeel over Israël komt, doch dat een overblijfsel heil zal ontvangen. De
speciale vorm van het Hebreeuwse woord 'tsoarim', vertaald met: 'de kleinen',
komt nergens anders voor in de Hebreeuwse tekst. De ware betekenis kan
omschreven worden als: 'zij, die klein blijken te zijn', zij, die zichzelf klein
maken', de 'zwakken', 'nederigen'.
David
Baron, The visions and prophecies of Zechariah, p. 480
‘De kleinen' zijn hier de discipelen
en het heil zou daarin bestaan, dat de Here Jezus hen, na Zijn volbrachte werk,
zou voorgaan naar Galilea en vrede zou schenken. De Here Jezus voorspelde hen,
dat zij Hem eerst alleen zouden laten (vgl. Joh. 16:32) in Zijn eenzame
strijd.
De discipelen dachten daar - toen nog
- anders over, vooral Petrus: "Al zouden allen aanstoot
aan U nemen, ik nooit!" (vs. 33) En daarop aansluitend: "Zelfs al moest ik met U
sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen." (vs. 35). Nu, hoe dat naderhand gegaan
is, weten we inmiddels. Uit dit alles blijkt overigens wel, dat Petrus vol was
van de liefde voor de Heer! Hij was beslist van goede wil. Maar er is meer voor
nodig om die liefde ook daadwerkelijk te kunnen betonen. Daarvoor is Gods Geest
nodig.
Agape en
Philo
In de Griekse tekst van Johannes
21:15-23 valt onmiddellijk het gebruik van verschillende woorden op. In de
Statenvertaling is daar in het geheel geen aandacht aan geschonken. De
NBG-vertaling heeft de verschillen weergegeven door het woord 'waarlijk' in te
voegen.
Er worden
hier twee woorden gebruikt, die beide te vertalen zijn met 'liefde' of
‘liefhebben':
1. Agape
Dit woord voor 'liefde' duidt op een
doelbewust liefhebben. Het is meer dan een uiting van warme gevoelens of
genegenheid. Het is een onvoorwaardelijke liefde, die niet eerst eist, maar
zonder voorwaarden alles geeft. Het is een liefde, die voortkomt uit de wil om lief te hebben. Dit woord wordt
onder meer gebruikt in teksten als: "God is liefde" en "...hebt uw vijanden lief'
2. Philo
Dit woord
heeft een 'wijdere' strekking en omvat liefde als (natuurlijke) genegenheid.
Dus: originele, spontane liefde, die meer aan de oppervlakte ligt (hoeft niet
per se 'oppervlakkig' te zijn!). Hoewel deze omschrijvingen niet volledig zijn
geven zij enig onderscheid aan. En dat onderscheid is er, want anders zou de
Schrift geen verschillende woorden gebruiken.
Wij kennen dat onderscheid in onze
taal ook wel. Zelden zal iemand zeggen: 'ik heb liefde voor spruitjes'. Als het
om dit soort dingen gaat zeggen wij meestal: 'ik hou van'. Anderzijds kunnen wij
intens van iemand houden, omdat wij die persoon innig
liefhebben...
Om de
verschillen in Johannes 21 te laten zien zetten we de Griekse woorden er maar
even bij.
1e vraag: "...Simon... hebt gij Mij waarlijk lief?" (agape)
antwoord: "Ja Here, Gij weet, dat
ik U liefheb" (philo)
2e vraag: "...Simon... hebt gij Mij waarlijk lief?" (agape)
antwoord: "Ja Here, Gij weet het,
dat ik U liefheb" (philo)
3e vraag: "...Simon... hebt gij Mij lief?" (philo)
antwoord: "Here, Gij weet alles,
Gij weet, dat ik U liefheb" (philo)
Bij de eerste twee vragen en
antwoorden spreken de Here Jezus en Petrus niet dezelfde
taal.
Petrus zit kennelijk (nog) op een
andere golflengte. De ware ‘ommekeer' in zijn leven heeft nog niet
plaatsgevonden. Bij de derde keer gebruikt de Heer hetzelfde woord als Petrus.
Je zou kunnen zeggen, dat Hij Zich begeeft op het niveau waar de apostel zich op
dat moment bevindt.
Geest
Merk op wat de Here Jezus aansluitend
zegt in vers 18 en 19: "Voorwaar, voorwaar, Ik
zeg u: Toen gij jonger waart, omgorddet gij uzelf en gij ging, waar gij wildet,
maar wanneer gij eenmaal oud wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander
zal u brengen, waar gij niet wilt. En dit zeide Hij om te kennen te geven, met
welke dood hij God verheerlijken zou."
De Here zet het leven van de jonge(re)
Petrus tegenover het leven van de oude(re) Petrus! Als jongeling ging hij waar hij wilde. Later zou hij gaan waar God wilde. En om die weg te kunnen gaan
was het nodig, dat er een ommekeer zou komen in zijn leven. Die ommekeer is ook
gekomen, en wel door de uitstorting van de Heilige Geest (Hand.
2).
Door de kracht en de leiding van Gods
Geest zou Petrus later de leider van de Twaalven worden. Hij zou, samen met de
anderen, een krachtig getuigenis afleggen temidden van zijn joodse
volksgenoten.
Het boek Handelingen laat ons zien hoe God krachtig in hen
en door hen werkte, en hen leidde in de waarheid. We zien hoe Petrus de
wonderlijke gebeurtenis op het Pinksterfeest verklaart aan de omstanders en hen
met grote volmacht het Evangelie verkondigt. We zien hoe hij een machtig wonder
verricht bij de tempel door een verlamde te doen lopen, en aansluitend een
indrukwekkende rede houdt (Hand. 3). In hoofdstuk 4 blijkt hij op geen enkele
wijze nog bevreesd te zijn om 'voor de Here Jezus uit te komen', zelfs niet ten
overstaan van de joodse Raad. Zie hoe hij zeer beslist optreedt tegen Ananias en
Saffira nadat zij de Geest des Heren verzocht hebben (Hand. 5). Hij is, samen
met de andere apostelen, zelfs blij "dat zij verwaardigd waren ter wille van de
Naam smadelijk behandeld te zijn..." (Hand. 5:41)
Waar Petrus eertijds 'groot' was in
zichzelf, daar was hij 'klein' voor God. Nu hij door Gods Geest is aangeraakt
komt zijn leven (en werk) in het juiste perspectief te staan: zwak in zichzelf,
krachtig in de Here. En, overvloedig in de liefde... van de Heer! Wij vinden hier een
geestelijke les voor onszelf. Immers, wij zitten zo ongeveer net zo in elkaar
als Petrus... en ieder ander.
Wij menen soms zoveel te kunnen in
eigen kracht, we vertrouwen daar dikwijls op. Toch is het Bijbels getuigenis
anders. De woorden van een andere dienstknecht van God, de apostel Paulus,
spreken in dit verband boekdelen: "Daarom heb ik een
welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenisen ter wille
van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig." (2 Kor. 12:10)
Paulus' naam betekent: klein. Binnen
het jodendom was hij een groot man
(vgl. Gal. 1:14, Fil. 3), maar hij ging zijn eigen weg "als hartstochtelijk
ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen." Na zijn ontmoeting met de Here Jezus
veranderde alles. Datgene wat hem -tot dan toe- winst was heeft hij schade
geacht om Christus' wil. Hij achtte zich de grootste der zondaren en de
geringste van alle heiligen. In die hoedanigheid was hij bruikbaar voor
God.
Iemand heeft eens gezegd: "Je kunt wel
te groot zijn om door God gebruikt te worden, maar nooit te klein!" Net als
Petrus, Paulus, en zovele anderen moeten wij leren niets te zijn van onszelf, maar alles te
bezitten in Christus. Daar waar Hij ons leven vult en leidt kan onze dienst aan
Hem vruchtbaar zijn.
Geliefden
Het feit, dat de Here Jezus Zich zo om
Petrus bekommert bepaalt ons bij Zijn liefde voor hem. Gods liefde is altijd de
bron van Zijn handelen, ook jegens de gelovigen. Gelovigen worden in de Bijbel
"geliefden" genoemd (Petrus gebruikt dit woord zes keer in zijn beide brieven).
Dat komt, omdat zij opgenomen zijn in de liefde van God. God heeft ons lief,
niet omdat wij altijd zo aardig zijn,
maar omdat "Hij ons begenadigd heeft
in de Geliefde." (Efe.
1:6) Omdat wij Christus toebehoren zijn wij geliefden van God. En Zijn liefde
voor ons is onveranderlijk! Denk U dat eens in: elke dag heeft God U even lief.
En uw medebroeders en -zusters evenzo! Daarom zegt Paulus ook tegen geliefde kinderen: wandelt in de
liefde...!
In het ‘gezin van God' is de
allerbelangrijkste levensregel: de liefde.
Dat is dé levensregel voor elke
gelovige apart en voor de gelovigen samen. Liefde tot God, en ook tot de
naasten, dat zijn volgens de Bijbel in de eerste plaats onze volksgenoten, leden
van hetzelfde volk c.q. Lichaam (vgl. Efe. 4:25).
Natuurlijk, net zoals in elk gezin,
vallen er in de Gemeente ook wel eens woorden, lopen wij elkaar wel eens in de
weg, maken we fouten, doen we anderen (ongewild) pijn. Dat zijn dingen die
kunnen en moeten, als het goed is, worden uitgepraat, zodat de liefde zegeviert.
En waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen! De tegenstander zal altijd
proberen een wig te drijven tussen gelovigen. Hij wil hen tegen elkaar op
zetten, hen tegen elkaar uitspelen, en vooral van Christus afhouden. Wij moeten
daar waakzaam voor zijn!
De Bijbel zegt: "Zo kennen wij dan van nu
aan niemand meer naar het vlees." (2 Kor.5:16) In de praktijk echter
zien we zo vaak op mensen, voelen wij ons zo gauw op de teentjes getrapt, gaat
het (soms zo vroom ingekleed) dikwijls om ons eigen ‘ik'. Wij voelen ons soms zo
tekort gedaan: "Wat ze mij allemaal hebben aangedaan...!" En: "Ik kan hier niet
mee uit de voeten... ik ben het daar niet mee eens... ik zie dat heel anders...
ik vind dat niet leuk..." ik, ik, ik! Vaak zijn wij het woord van de Heiland
vergeten, Die tot Zijn discipelen sprak bij de voetwassing in Johannes 16:
"Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een
gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het
doet." (vs. 16,17) Inderdaad, wij zijn veel gauwer geneigd iemand de oren te
wassen dan zijn voeten, want daarvoor moeten wij bukken...! Toch is dát het
geheim en het kenmerk van gezond geestelijk leven, namelijk, dat de gezindheid
van Christus in ons is, en dat is: liefde, overgave, dienstbaarheid, niets
eisen... alles geven, het goede (voor de Gemeente) op het oog hebben, niet zien
op onszelf of op anderen, maar op de Heer Jezus alleen.
Wat heeft het
de Heiland niet gekost om U en mij te redden van het oordeel. Hoe werd Hij niet
tegengewerkt, onheus bejegend, belasterd, besmeurd, gehoond...! Daarom: "Vestigt
uw aandacht dan op Hem, Die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich
heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt." (Hebr.
12:3)
Als wij op
Hem zien en het van Hem verwachten, dan kunnen wij elkaar ook aanvaarden als
‘geliefde kinderen Gods'. Dan wandelen wij naar de ‘eis der liefde', en zullen
wij van God genade ontvangen, telkens weer...
Dan kennen wij elkaar niet naar het
vlees... maar naar de Geest. Dan vergeven wij elkander van harte; dan bemoedigen
wij elkaar. In Galaten 6:2 zegt
Paulus: "Verdraagt elkanders
moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen." De wet van Christus is: de liefde.
Als wij die wet vervullen, zijn wij ‘navolgers Gods'. Dan wordt de Gemeente een
werkplaats van de Heilige Geest. Dan kan er vrucht komen voor God. Dan wordt ons
leven een getuigenis, ook voor hen die (nog) buiten staan.